Geen onderdeel van een categorie

Ode to Joy: In gesprek met Nick Andrews

Sinds zijn eerste tentoonstelling in maart 1997 in de Zwarte Panter is Nick Andrews een vaste waarde in de hedendaagse Antwerpse galerie. Zijn recente expositie ‘Ode to Joy’ is de twaalfde in de rij. Hij studeerde af in 1996 aan de Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen. Zijn werk wordt gekenmerkt door zijn gebruik van contrasterende primaire kleuren en flamboyante penseelstreken. Hierdoor ontstaat een licht -en schaduwspel en een contrast tussen warme en koude kleuren. Nick laat zich inspireren door meerdere fascinaties zoals film, theater, literatuur en filosofie.

“Ode To Joy’ is een ode aan kleur, aan kunst en aan samenzijn. Het is gelijk het leven zelf…”

Jeroen Olyslaeghers

Maart 2021 – In de luwte van een pandemie die buitenshuis woekert ging Private Art Tours in gesprek met Nick die in volle voorbereiding was van zijn tentoonstelling Ode To Joy. Werken in opbouw hangen er aan de muren van zijn atelier, composities en kleurenstudies liggen verspreid over zijn bureau. We hebben de eer om letterlijk in het creatie – en denkproces van Nick Andrews binnen te wandelen en graven met veel bewondering naar het verleden van zijn leven als kunstenaar.

PAT: Hoe is jouw relatie tot stand gekomen met Adriaan Raemdonck en Fred Bervoets?

Nick: ‘Adriaan zat tijdens mijn studies schilderkunst in de eindjury, ik studeerde af in ’96. We waren zogezegd de Fred Bervoets klas. Ik was eerst van plan om naar het RITCS in Brussel te gaan om iets meer met video te doen, maar ik ben uiteindelijk toch schilderkunst gaan volgen. Voor de zomer was ik uitgenodigd door een docent Schilderkunst van de Academie voor Schone kunsten. In mijn ontwerpen van gouaches zag hij een bepaalde aanleg, dus kreeg ik de vraag om te komen schilderen. Ik ging veel naar musea, maar Rubens en andere oude meesters schrokken me wel wat af. Na de vakantie ben ik toch naar het RITCS gegaan. De eerste dag bij de inleiding van de filmschool stond het mij toch niet zo aan. Mijn moeder zag dat ik toch niet enthousiast was: uiteindelijk ben ik toch langs het ingangsexamen van Schilderkunst gegaan.’ 

Nick Andrews in zijn atelier.

‘Twee weken na het ingangsexamen was het de eerste schooldag met de groep selectie van het examen. Al de docenten werden voorgesteld en de laatste docent was Fred Bervoets. We waren een hechte groep en waren zeer internationaal. Maar toch vielen er veel mensen af in het eerste jaar. Fred had interesse in onze attitude en werken. Hij kwam geregeld wel eens langs en zei uitspraken zoals ‘Nick blijft er af’. Je zag dat hij heel veel van techniek wist, hij las heel beeldend. Hij zei tegen ons dat we als groep moesten samenwerken. Uiteindelijk hadden we een atelier dichtbij de Cogel Osyslei gehuurd met acht man. We deden zelf op dinsdag vergaderingen. We begonnen in oktober en aangezien we met acht mensen waren noemden we ons October Octopus. Hierover is er 20 jaar later de tentoonstelling ‘Duikboot’ gekomen in de lange zaal in de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, gecoördineerd door Sergio Servellon. De Fred kon zeer theatraal spreken en had een poëtische manier van uitdrukken; ‘ik ben jullie kapitein, we gaan op zee, we gaan onder het ijs!’ Deze uitspraak gaf hij mee aan zijn studenten. 

Tijdens de academie had je veel van die engagementen en samenwerkingen. Sergio Servellon zocht al die kunstenaarscollectieven op die uit de klassen van Fred Bervoets ontstonden. Wij waren de eerste genaamd October Octopus. Dan had je ook nog Placenta met Nadia Naveau, Tom Liekens, Caroline Coolen en Bart van Dijck.’

De tentoonstelling ‘Duikboot’ van 2016.

PAT: Naast collegiaal, zijn jullie ook vrienden?

Nick: ‘Voor kunst heb ik vroeger sport gedaan. Daar was er veel competiviteit. In de kunstwereld heerst er ook competiviteit maar ik verhoud de competiviteit tot mijn plastisch dialoog op atelier. Competiviteit in de kunstwereld is een onderdeel. Maar dat onderdeel is anders: het hangt af van hoe iemand dat interpreteert. In kunst is dat helemaal anders dan sport. Het is een heel raar gegeven, je leert veel van je werken, je wordt een beter mens door iets dat abstract is of bijna niet te definiëren is.’

‘Alles kan kunst zijn, maar op een gegeven moment is er iets dat gefineerd moet zijn, dat kan enkel via ervaring. ‘

Nick Andrews

PAT: Kan je van elkaar zeggen dat is een sterk werk? en waarom dat het een sterk werk is? 

Nick: ‘Toch wel, dat is vooral ervaring. Mijn ogen zijn nu getraind, ook via techniek. Toen ik klein was kwam mijn familie vanuit Engeland naar Antwerpen. Dan gingen we naar het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen en ik kan me altijd herinneren dat ik altijd bang had van Rubens. Ik vind het nu zo fijn dat ik Rubens kan lezen. En ook weet hoe hij het opbouwde, dat hij op 6 weken tijd een ongelofelijk werk kan maken met alles erop en eraan. 

Ooit in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen stond er een stelling waarbij je de Rubens van dichtbij kon bekijken. Dan zag je die finesse en de planning die Rubens maakte in 5 stappen. Door veel te kijken, dan kan je van anderen leren, voelen en zien.

Alles kan kunst zijn, maar op een gegeven moment is er iets dat gefineerd moet zijn, dat kan enkel via ervaring.’

In het atelier van Nick Andrews.

PAT: Heb je soms al gedacht aan dit pad heb ik nog niet gedacht?

Nick: ‘Veel mensen doen heel de tijd hetzelfde, maar dat is hun stramien. Als ik iets ontdek, weet ik niet meteen of dat de goede richting is. Maar er komt altijd wel een goed werk uit. 

Daarom werk ik in reeksen. Ook naar de tentoonstelling toe. Ik werk al lang met Adriaan. Adriaan is zeer open en ik vond dat sociaal aspect van zijn galerie altijd al interessant. De schilders in zijn galerie spraken mij aan: het was geen ‘jaren 90 white space.’ Adriaan was altijd geëngageerd in je proces: ‘Jij ben de creator, ik ben de galerist, ik kan je meehelpen’. Hij liet ons doen tot ik daar kwam. Je moest toe werken naar de tentoonstelling. Dus ik begon met reeksen te werken. Vroeger was ik wat vitaler, dan komen de schilderijen soms sneller omdat je dingen uitprobeert en test. Rond midden 40 krijg je een stramien, een manier van werken. Een soort handschrift, bij mij gaat dat over de drie hoofdkleuren, dat organische met een geometrische opzet. Ik ben expressief maar wel gecoördineerd. Ik lees in functie van het materiaal. Dat zie ik in de kunstenaars die in de galerie werkten. Schilders in de galerie durfden zich uitspreken. Expressieve werken dat trok mij aan. De laatste 13 jaar had ik om de twee jaar altijd een tentoonstelling in De Zwarte Panter. Dat was altijd rond september bij de opening van het seizoen.’

“Ik geloof in het proces en ook wat de verf kan doen. Ik wil graag verwonderd worden. Het experimenteren met verschillende technieken en hierdoor verwonderd worden, daar ga ik graag met om.”

Nick Andrews

PAT: Jouw echtgenote is beeldhouwster Nadia Naveau. Werken jullie soms samen in het atelier?

Nick: ‘Ja bij haar atelier wel. We hebben ook een huis en atelier in Auvergne, Frankrijk. Deze plek is zeer noodzakelijk voor ons. Beeldhouwers werken zeer plastisch. Eens dat het vorm begint te krijgen, dan begint een andere soort werking. Zoals een architect moet werken. Dan komt er ‘gravity’, een bepaalde techniciteit. Maar toch ben ik blij dat ik schilder ben en dat ik enkel moet denken aan bijvoorbeeld opspannen. Toch heb ik de nood om eens rond het kunstwerk te werken. Ik werk met andere technieken om mij te herbronnen. Lithografie, etsen, keramiek, tapijtontwerpen.. daarna kan ik teruggaan naar de schilderkunst. Ik herbekijk een reeks waaraan ik bezig was door deze te linken aan de literatuur en andere bepaald fascinaties zoals filosofische aspecten.

Ik heb nu ook een speciale editie gemaakt van porseleine werken, waarvan er maar 25 zijn gemaakt. Hier heb ik ook met de drie hoofdkleuren met onderglazuur geschilderd, waardoor je niet meteen ziet wat je doet. Je ziet enkel sporen, maar je ziet het resultaat niet. Onze maatschappij is resultaat gericht met een grote focus op deadlines. Ik geloof in het proces en ook wat de verf kan doen. Ik wil graag verwonderd worden. Het experimenteren met verschillende technieken en hierdoor verwonderd door worden, daar ga ik graag met om.’

In het atelier van Nick Andrews

PAT: Jouw schilderijen doen zeer filmisch aan, kan je daar nog iets meer over vertellen?

Nick: ‘Ik ben altijd gefascineerd geweest door films en ik wou altijd regisseur worden. Er is een opdracht dat ik geef aan mijn studenten, waarin we scenografie doen. Wat maakt een schilderij autonoom, wat is het verschil tussen fotografie en film? Hoe kan jij als schilder de toeschouwer manipuleren, door elementen in de ruimte te zetten. Sommige werken van de oude meesters zoals Jan Van Eyck, Johannes Vermeer lijken wel filmisch waarin je wordt in mee ingetrokken. In het begin heb ik een idee dat abstract is: het zijn elementen die beginnen te ontstaan. Dan komt dat bij elkaar en wordt dat een scene.’

De tentoonstelling ‘Ode To Joy’ loopt tot en met zondag 7 november 2021.

Galerie De Zwarte Panter | Hoogstraat 70-72-74 | Antwerpen | België

Donderdag, vrijdag, zaterdag, zondag 13u30 tot 18u00.

Exclusief bezoek aan FIBAC

Private Art Tours nodigt je uit op 19 augustus voor een voormiddag tussen een unieke privé verzameling Belgische abstracte kunst.

Onze gastheer Filips de Ferm stelt zijn huis open in een voormalig parochiehuis, dat opgeknapt werd tot het Filips Ingrid Belgian Art Center. 

Naast de kunstwerken, kan u ook genieten van het oude gebouw met authentieke elementen van art deco en het interbellum. 

Na afloop van de rondleiding kan u genieten van enkele verfrissingen, aangeboden door Private Art Tours. 

19 augustus

Prijs p.p. 40 euro

Inschrijven via info@privatearttours.be

Wereldtentoonstelling ‘58

Regionaal modernisme

Wim Aerts

Deel 1

We gaan de architectuurtour op! België stond in ’58 helemaal in het teken van vernieuwende architectuur en constructiemethoden. Tot op vandaag blijven de paviljoenen van Expo ’58 tot de verbeelding spreken en doen namen als Le Corbusier, Renaat Braem en Leon Stynen ons terug verlangen naar deze architecturale hoogdagen!

Gewapend beton en staalconstructies worden onderdeel van dagdagelijkse architectuur en komen tot uiting in paviljoenen zoals het ‘Atomium’, het ‘Philips paviljoen’ en ‘de pijl van de burgerlijke bouwkunde’.

Duik met ons in deze fel besproken stijlperiode en ontdek in twee delen meer over Expo ’58!

1. Situering

Tijdens de fifties verwerkte België de naweeën van de Tweede Wereldoorlog. Het gezicht van ons land veranderde en de manier van leven evolueerde grondig. De tijd van de consumptiemaatschappij brak aan en een tal van nieuwe producten verschenen in de Belgische huizen (televisies,wasmachines,…)

Met de Wereldtentoonstelling van ’58, wilde België zich richten op de toekomst. De mens zou centraal staan op de expo, met als thema: Balans der wereld voor een humanere wereld. Maar ook de kernenergie zou een belangrijke plaats innemen op de Expo, dit met het atomium, om haar van het negatieve imago af te helpen.

Niet alleen België wou deze tentoonstelling organiseren, ook Frankrijk en Groot-Brittannië waren kandidaat. Groot-Brittannië wilde exact 100 jaar na de allereerste wereldtentoonstelling deze opnieuw organiseren in 1951. Maar door de wankele politieke en economische situatie wordt deze telkens uitgesteld.

Pas in 1953 vond in Parijs officieel de registratie plaats voor de Universele en Internationale wereldtentoonstelling te Brussel.

In de latere jaren zou er meer politieke stabiliteit zijn, en werden de oorlogen achter ons gelaten. Om een betere samenwerking binnen Europa te bevorderen sluit men verschillende internationale verdragen.

Er heerste veel discussie rond het gebeuren van Expo ’58. Toch was er nog geen complete politieke samenhang, de koude oorlog was een spelbreker.

De architecten van die tijd hadden veel kritiek op de tentoonstelling. Volgens hen was de getoonde architectuur weinig vernieuwend, en sloot het niet genoeg aan bij het nieuwe klimaat binnen Europa.

Toch werd de Expo gezien als een viering van de nieuwe technologieën. Door de toepassing van voorgespannen beton, gelijmd en gelamineerd hout, stalen bruggen en span- en ophangsystemen waren er diverse puntige ronde, bol- en blokvormige ontwerpen te zien. Innoverende en nieuwe materialen als plexiglas, polyester, hardboard en aluminium bleken ideaal voor de bouw van lichte en tijdelijk constructies. Voorbeelden waren er te vinden in talrijke paviljoenen van de Belgische sector, die van Frankrijk, Amerika, Rusland,…

De wereldtentoonstelling stond niet enkel voor architectuur en tentoonstellingen. Het was een heus stijlicoon. De volledige vormgeving rondom het gebeuren straalde vreugde en levendigheid uit. Men trachtte op deze manier de duistere periode van de Tweede Wereldoorlog achter zich te laten, en opnieuw optimisme uit te stralen. Veel kleur en nieuwe vormen introduceerden de expo in reclames en brochures. Zo ontstond er een heuse verzamelwoede rond de expo ‘58 en al de gadgets die hieromtrent uitgegeven werden.

Brussel heeft vele veranderingen moeten ondergaan om zich voor te bereiden op de komst van de wereldtentoonstelling. De volledige stad was bezet met afbraak en aanpassingswerken. Ook naar bereikbaarheid toe deed men grote inspanningen. Er kwam een heraanleg van de belangrijkste verkeersaders en invalswegen; lanen van de Kleine Ring werden verbreed, de tram kreeg een eigen bedding, Brussel werd voorzien van extra tunnels. Maar ook de nationale luchthaven van Zaventem werd gebouwd. Brussel, het kruispunt van Europa, Zou vele jaren in een bouwwerf veranderen. Men zegt vaak dat niets de stad Brussel zo verminkt heeft als al de werken die men heeft uitgevoerd om het toegankelijk te maken voor de expo. Er werden voor de wereldtentoonstelling dan ook zo’n 30 miljoen bezoekers verwacht. Uiteindelijk zijn er ongeveer 42 miljoen bezoekers geregistreerd.

De Expo van ’58 ging op dezelfde plaats door als deze van ’35.

Meer dan 160 Belgische architecten werkten mee aan de opbouw van Expo ’58. Zowel architecten van de tentoonstellende firma’s, ingenieurs en interieur architecten deden hun bijdrage. Voor deze architecten, maar ook voor de bouwsector in het algemeen, vormden de schaal en de diversiteit van de onderneming een bijzondere uitdaging. De wereldtentoonstelling was van een ongekend prestige, België, de deelnemende landen, firma’s en architecten stelden zichzelf en hun werk tentoon.

2. Technische vooruitgang

De grote technische vooruitgang die men wilde tonen op de expo kwam naar voor in bijna alle paviljoenen. Opvallende vernieuwingen in bouwwerken vinden we onder andere bij:

Het Atomium:

Het Atomium werd beschouwd als het centrale baken van de tentoonstelling. Het stond voor de grote vooruitgang op wetenschappelijk gebied en is een van de eerste megastructuren in België. Dit eigenaardig gebouw was een ontwerp van de ingenieur Waterkeyn en werd uitgetekend door de architectengroepen Polak. Structureel werkte men met driehoeksverbanden om stevigheid te verkrijgen. De tentoonstellingsruimtes bevonden zich in de verschillende bollen. De grote buizen die de verbindingen tussen de verschillende bollen vormen, doen dienst als circulatieruimten. Het is een heel spectaculair bouwwerk, maar heeft een vrij robuust karakter. Het Atomium verenigt nieuwe technieken met ambachtelijke afwerking. Alles diende op maat gemaakt te worden. Het gebouw is een van de bekendste architectuurwerken binnen ons land, maar wordt door vele architectenkringen weggelachen. Meestal wordt het besproken in overzichten van design, als lemma “kitsch” of als icoon van de atoomstijl. Het bouwwerk bevond zich in de kern van de tentoonstelling, en nam zo een heel centrale plaats in beslag tijdens de Expo. Hiervoor had men bewust gekozen omdat kernenergie een grote rol speelde op de tentoonstelling. Ook dit gebouw was eigenlijk slechts bedoeld om een tijdelijk leven te leiden. Desondanks doet het gebouw nog steeds dienst als museum, restaurant,… Het werd dan onlangs ook volledig gerenoveerd door Conix architects. Men zegt vele dingen over de architectuur van dit gebouw, maar het wilde vooral symbool zijn. Van de opkomende vernieuwingen, wetenschappen,…

De pijl van burgerlijke bouwkunde:

Het plastische silhouet van dit gebouw werd ontworpen door de kunstenaar Jacques Moshall in samenspraak met een ingenieur. Dit gebouw toonde de mogelijkheden van gewapend beton. Deze constructiemethode was erg in trek op de expo. Er waren nog verschillende paviljoenen op de expo die vervaardigd werden uit betonnen schalen (denk bijvoorbeeld maar aan Nervi). Bij deze constructiemethode drijft men het beton als het ware tot het uiterste van zijn kunnen. Een gigantische pijl bekroond als het waren het paviljoen. De dominantie van de pijl is des te groter door de bescheiden omvang van het paviljoen zelf.

Informatie paviljoen op het Brouchèreplein:

Wat kenmerkend is voor dit paviljoen is het feit dat de volledige dakconstructie op slechts twee steunpunten rust. Het dak is opgebouwd met houten gelamineerde balken. Hierdoor kan de dikte van het dak beperkt blijven. Dit is een techniek die ontwikkeld is op de werkplaatsen van De Coenen. Deze hebben verschillende paviljoenen uitgevoerd voor de expo. De vorm van het schaaldak is gebaseerd op wiskundige functies. Twee symmetrische assen bepalen grotendeels het uitzicht van het volume.

3. De verschillende secties van Expo ‘58

De nieuwe wereld van 1958 was op de tentoonstelling goed te ervaren binnen de verschillende secties: namelijk de Belgische sectie, de Buitenlandse sectie, de Internationale sectie, de Koloniale sectie, het attractiepark en de Commerciële sectie.

Voor het eerst zijn de supra-nationale instellingen vertegenwoordigd, ondergebracht in de mondiale sectie. Het paleis van de internationale samenwerking en de paviljoenen van de UNO, de EGKS, de Benelux, de OEES en de Raad van Europa stonden verzameld rond het plein van de internationale samenwerking. De onderlinge verbondenheid wordt benadrukt door de architectuur en door de gelijkaardige benadering van de tektonische aspecten. Zoals lichte materialen, en nieuwe bouwmethodes.

Ook in de Belgische- en koloniale sectie werd er gezocht naar een eigentijdse uitdrukking van eenheid. Deze sectie nam bijna de helft van de totale oppervlakte van de tentoonstelling in beslag. Jean Hendrickx –Van den Bosch en Maurice Houyoux-diongre werden aangesteld als hoofdarchitecten van de Belgische en Koloniale sectie. Binnen de Belgische sectie tracht men grootse, maar uiteindelijk monotone paviljoenen te plaatsen die kunnen opboksen tegen de Heizelpaleizen. De Koloniale sectie krijgt en centrale plaats op de tentoonstelling tussen de Beneluxpoort en het Atomium, en werd doorkruist door verschillende belangrijke lanen.

Hoofdarchitect van de Buitelandse sectie was Marcel Van Goethem. Binnen deze sectie bestonden geen vormbepalende richtlijnen. Men stelde een soort eenheid door diversiteit voorop. De evolutie binnen de moderne architectuur toonde haar vele gezichten op de tentoonstellingssite. De meeste van de 48 deelnemende landen kozen voor een moderne architectuur. Net nu deze moderne architectuur aan bod komt op een wereldtentoonstelling wordt deze als “international style” dood verklaard.

De Belgische sectie:

De Belgische sectie was gelegen aan het heizelpaleis, dit kreeg voor de gelegenheid een tijdelijk nieuwe gevel. Deze straalde de nieuwe tektoniek uit. Overdag had de tentoonstelling een grote uitstraling, maar ook in nacht was dit zo. Het geheel was van verlichting voorzien, dit was vrij nieuw voor die tijd. Het kreeg zo de uitstraling van een grootstad.

Paviljoenen: Atomium, De pijl van burgerlijke bouwkunde,… (zie inleiding)

Bron: L’architecture moderne à l’expo 58, Rika Devos, Mil De Kooning

Meer weten? Ontdek het binnenkort in het tweede deel!

The Insider & Kate Maveau

Leer de vrouw kennen achter onze geweldige video’s en foto’s! Na haar studies als regisseur aan het Rits Brussel, bracht haar ambitie en nieuwsgierigheid haar op bijzondere plekken in Wales en Berlijn. Naast films maken, had ze van jongs af aan een grote passie voor fotografie, dans en muziek. ‘Compositie, kleur en absurdisme zijn samen met het surrealisme key words in mijn werk.’ In onze nieuwe Insider kruipt Private Art Tours in het artistieke hoofd van regisseur, schrijfster en creatieveling Kate Maveau.

– Hoe ben je bij regisseur en het Rits in Brussel terechtgekomen?

Ik groeide op in een klein dorpje in België. Ik voelde me vaak wereldvreemd waardoor mijn nieuwsgierigheid steeds groter werd. Ik hou van schoonheid en daarom zocht ik steeds naar nieuwe dingen. Toen mijn moeder me inschreef om verpleegster te worden, kwam ik in opstand. Hierdoor deed ik mee aan het toelatingsexamens Regie aan het Rits

– Hoe heeft de de NewPort filmschool (Nu University of Wales) in Wales je gevormd en heb je hier je sterke kanten als regisseur ontdekt?

Om eerlijk te zijn, was ik enorm teleurgesteld in de film studie van de universiteit in vergelijking met die van het Rits. Desondanks, na enkele weken ontmoette ik interessante mensen die tot op heden nog steeds goede vrienden zijn. Ze hielpen me op persoonlijk vlak groeien maar ook op het gebied van film.

– Is er een groot verschil in films tussen België en UK?

Ik voel dat dit afhangt hoe je naar film kijkt. In vele aspecten lijkt het mij hetzelfde. Nochtans, ik ben niet thuis in de Belgische cinema. Hoe ik het zie, er zijn zoveel verschillende genres en zowel Wallonië en Vlaanderen vertalen deze in verschillende stijlen. Terwijl elk land zijn eigen huisstijl heeft, de mainstream pop cultuur volgt vergelijkbare stromingen.

“Mijn vertrekpunt is steeds uit een persoonlijke ervaring, een incident of een gevoel waarrond ik een fictief verhaal verzin. Vaak is dit om iets te kunnen plaatsen of om het te verwerken. Ik schenk het een context.”

– Jouw kortfilm Shimi heeft al verschillende filmfestivals gespeeld. Over wat gaat de film en waar heb je inspiratie gehaald?

Ja inderdaad, ik heb het geluk gehad dat shimi op enkele festivals heeft mogen spelen zoals ‘Independent Days’, ‘Serile Filmului Gay’ en ‘Scenic Film Festival’. Ook is de film opgepikt door het discovery platform FilmDoo dat samen met de film de wereld rond gaat. SHIMI gaat over Keely, een eenzame tiener en ballerina. Zij ontmoet Mairi, een mooi en vreemd meisje die haar tegenpool is. Wanneer ze elkaar beter leren kennen, wandelt Keely op haar grens van verlangen en zelfbeheersing. De inspiratie voor de film komt uit mijn eigen verlangen tijdens een oude vriendschap.

Still uit ‘SHIMI

– Loopt er een rode draad door jouw verschillende projecten?

Mijn vertrekpunt is steeds uit een persoonlijke ervaring, een incident of een gevoel waarrond ik een fictief verhaal verzin. Vaak is dit om iets te kunnen plaatsen of om het te verwerken. Ik schenk het een context.

– Voor Private Art Tours heb je al enkele zeer leuke en creatieve promovideo’s gemaakt. (Ook met eigen muziek) Is er een groot verschil met je eigen werk?

Er is zeker een verschil tussen mijn eigen werk. Alhoewel de lijn stilaan vervaagt wanneer ik volledige autonomie krijg over een promo video. Dan begin ik te experimenteren en nadenken hoe ik een verhaal anders kan vertellen. Bij een promo video ligt het accent dan eerder op het verkopen van een bedrijf/product. Mijn grote liefde blijft natuurlijk fictie en experimenteren met beeld.

– Heb je grote voorbeelden of kijk je op naar iemand?

Ik ben geobsedeerd door Marie Laveau en Mary, koningin van de schotten. Beide vrouwen hadden interessante levens. Ze verschillen op vele vlakken en daarom inspireren ze me telkens op een andere manier.

Daarnaast ben ik grote voorstander van de Oost-Aziatische cinema. I love it wanneer er heel veel aandacht werd besteed aan compositie en kleur zoals in Hero. De film 2LDK is stiekem mijn levensmotto dat veel absurde elementen bevat. Compositie, kleur en absurdisme zijn samen met het surrealisme key words in mijn werk.

– Wat is de volgende stap? Ben je bezig aan nieuwe projecten?

Momenteel schrijf ik aan een kort verhaal genaamd “A Bird’s Suicide” en brainstorm ik een documentaire over Ethiopia. Ethiopia is een poëtische documentaire over Ethiopiërs die in België wonen. Het begint bij Naomi, een conservator, die als kind geadopteerd werd. Zij verlangt om haar kennis te delen met Ethiopia om het Ethiopisch erfgoed te helpen onderhouden. 

A bird’s Suicide is een korte zwarte komedie over twee psychopaten die op elkaar jagen en verliefd worden.

Behind the scenes with Naomi

Wil je op de hoogte worden gehouden van de projecten van Kate, check haar nieuwe website,

The Insider & Ana Zoe Zijlstra

Kunst, literatuur, muziek, politiek.. maatschappelijk en cultureel is deze Insider enorm onderwezen. Ana Zoe Zijlstra is kunstwetenschapper en legde reeds een ondernemend en top parcours af. Elke dag zet zij zich in voor de succesvolle hedendaagse galerie Xavier Hufkens als Associate Director. Private Art Tours ging met haar in gesprek!

– Dag Ana Zoe, we kennen elkaar lange tijd en hoewel het niet zo lijkt op het eerste zicht heb jij ook net als mij andere roots dan België. Zou je hier wat kunnen toelichten in hoeverre dit jouw gevormd heeft als persoon en hoe dit jouw blik als vrouw in België beïnvloedde?

Ik verhuisde naar Brussel toen ik veertien was. Hoewel we slechts de landsgrens overstaken, heeft de stap van een middelgroot dorp naar de hoofdstad van Europa op zo’n leeftijd een beduidende impact gehad.

Het betekende een verbreding van mijn referentiekader op een leeftijd waarin ik mijzelf aan het ontplooien was. Hoewel ik naar een Vlaamstalige school ging, waren bijna al mijn vrienden niet-Belgische oorsprong: Spaans, Syrisch, Marokkaans, Grieks, Libanees, noem maar op! Dat was een eerste bewustwording. Dit ging gepaard met het ontdekken van Brussel als stad en diens vele gezichten. De hoge concentratie kunstgaleries, veelheid aan concerten en toegankelijke culturele overdaad heeft niet alleen geholpen om te aarden, maar heeft ook mijn keuze ondersteund om Kunstwetenschappen te studeren. Zonder dit, was ik wellicht een hele andere kant opgegaan.

– In tijden van Corona beseffen we allemaal hoe cultuur een gemis kan zijn. Hoe bijzonder is de culturele wereld voor jou op een dagdagelijks niveau?

Cultuur is voor mij een grote drijfveer geweest het afgelopen jaar. Hoewel de “IRL” ervaring wellicht even heeft moeten inboeten, heeft de digitalisering veel vergemakkelijkt. Plots was alles met één klik bereikbaar: concerten konden online worden bekeken en beluisterd, er waren podcasts, kunstcollecties en tentoonstellingen bekeek ik via een scherm: alles werd allemaal online geplaatst. En er was plots ook allemaal tijd voor! Vanuit mijn woonkamer heb ik enorm veel gezien, gehoord en geleerd. Op dat vlak is het dus werkelijk een verinnerlijkingsproces geweest. Anderzijds heb ik ondertussen een hele gezonde appetijt voor het «echte » leven opgewekt, een hernieuwd joie de vivre.

Installatiezicht Tracey Emin, ‘Detail of Love’. Photo-credit : Allard Bovenberg, Amsterdam. Courtesy: the Artist and Xavier Hufkens, Brussels

– Waarom zet je je elke dag in voor Xavier Hufkens. Kan je een beetje toelichten voor de lezer wat jouw functie inhoudt?

Een kunstgalerie heeft meerdere rollen, zowel zichtbaar als onzichtbaar: het ondersteunen van kunstenaars en hun carrières. Vaak gaat het verder dan het organiseren van tentoonstellingen, het promoten van kunstenaars en het verkopen van kunst; wij verlenen allerlei diensten : het uitgeven van boeken, talks, etc. Wij faciliteren, zodat de kunstenaars zich zoveel mogelijk op hun werk kunnen concentreren.

Concreet is mijn baan tweeledig: enerzijds ben ik persattaché en verantwoordelijk voor pers en communicatie binnen de galerie, anderzijds werk ik nauw samen met kunstenaars vertegenwoordigd door de galerie.

– Zijn er boeiende projecten waar je momenteel mee aan de slag bent op het werk? Iets in de pipeline dat jij zeker de moeite vindt om toe te lichten?

Met de galerie breken we binnenkort een nieuw hoofdstuk aan. We renoveren en verdriedubbelen de historische galerieruimte in Elsene. Op architecturaal vlak gaat het om spectaculair design, maar er komt zoveel meer bij kijken. Het bidet tegelijkertijd een moment om bij veel zaken stil te staan, vragen te stellen, toekomstgericht te denken, … Het worden opwindende tijden!

Een kunstgalerie heeft meerdere rollen, zowel zichtbaar als onzichtbaar: het ondersteunen van kunstenaars en hun carrières. Vaak gaat het verder dan het organiseren van tentoonstellingen, het promoten van kunstenaars en het verkopen van kunst.”

– Waar haal jij dagdagelijks energie uit om te doen wat je doet?

Genoeg slaap! Af en toe eens wegstappen van kunst — via boeken, goede vrienden en familie of sport — helpt om mij een frisse blik en gezonde energie te behouden.

– Wat zijn jouw grote voorbeelden in de kunstwereld op dit moment of wie vormt mee jou kritische blik en referentiekader?

Ik houd van mensen die goed voorbij het evidente kunnen te kijken en nieuwe verbanden kunnen leggen. Van mensen als Alex Ross, David Van Reybrouck, Malcolm Gladwell, Joost Zwagerman, Simon Schama, Richard Dawkins, Carel van Schaik en Kai Michel heb ik veel opgestoken.

– Als je even je ogen zou sluiten en al het geld van de wereld, de beste mensen, geen compromissen… waar zou je naar toe willen in de wereld en met wie?

Goh, er staat zoveel op mijn lijstje. Het hoeft niet eens ver van huis te zijn. Maar als geld er niet toe zou doen, organiseer ik een evenement met mijn favoriete kunstenaars, schrijvers, historici en filosofen, musici. Het moet een feest zijn voor alle zintuigen, maar ook voor hart en hoofd! Gratis en toegankelijk voor iedereen.

Wees ontvankelijk, creatief en receptief. Kijk, lees en absorbeer en zorg dat je blijf leren. Heb één oog naar het verleden en één oog naar de toekomst.

-Wat adviseer je toekomstige kunstwetenschappers of heb je een gouden tip voor nieuwe professionals in de kunstwereld?

Wees ontvankelijk, creatief en receptief. Kijk, lees en absorbeer en zorg dat je blijf leren. Heb één oog naar het verleden en één oog naar de toekomst.

– Dankjewel Ana Zoe, we nodigen je zeer graag uit op een van de volgende Private Art Tours events! Wie is jouw ideale date voor Private Art Tours?

Dat is een moeilijke om te kiezen! Roberta Smith, Ann Temkin, Caravaggio, Michelangelo, David Van Reybrouck of Giorgio Locatelli. En vooral : Naomi Meulemans & Giovanna Tama, natuurlijk !

The Insider & Jefta Lammens

Deze Insider is een echte duizendpoot. Na afgestudeerd te zijn in Conservatie en Restauratie van hout en textiel, is ze daarnaast ook gespecialiseerd in de restauratie van Plastics. Voor Private Art Tours gaf ze een kijkje in haar bedrijf en komen we achter de schermen in haar atelier!

(Fotografie Kate Maveau)

-Wat vind je boeiend aan je job?

Jefta: De combinatie van het praktische met het theoretische. Er moet vaak een oplossing worden gezocht binnen de nauwe grenzen van wat mogelijk is. Elk object is ook anders, wat het interessant maakt. Iedere keer moet je opnieuw nadenken over hoe je de behandeling aanpakt en het zoeken naar juiste materialen. Het is ook heel dankbaar om een object in ere te herstellen of om het in een museum te zien staan. En vaak kom je op plaatsen waar niet iedereen komt.

Belgie is qua aanwezigheid van kunst en erfgoed echt een speeltuin. We zijn verwend op dat vlak.

-Met welk project ben je nu bezig? 

Jefta: Ik ben met veel verschillende projecten bezig. Het grootste project momenteel zijn de wandbespanningen in het kasteel d’Ursel in Hingene. Na 6 jaar werken loopt het project in mei 2021 af. Door de Covid crisis is de bijhorende tentoonstelling verschoven naar mei volgend jaar. Daarnaast komt er nog een mooi meubelset van Hendrickx aan. Er staan nog enkele stoelen klaar en volgend voorjaar is er nog een afbouw van de tentoonstelling ‘Kleureyck’ in het Designmuseum in Gent.

-Wat is het mooiste project of uitdaging waar je aan gewerkt hebt?

Jefta: Het project in Kasteel D’Ursel in Hingene was enorm leuk door de grote schaal. Een set van twee stoelen en een driezit zetel van Hendrickx voor het Designmuseum vond ik een heel mooi project. Hiervoor moest ik de interne stoffering reconstrueren, wat wel een interessante uitdaging was.

Set van twee stoelen en driezit zetel van Hendrickx in het Designmuseum © Michiel De Cleene 

-Zijn er aspecten aan je job die je minder goed ligt? 

Jefta: Als zelfstandige is er altijd nog papierwerk, offertes en ander administratief werk. Dat is de minder leuke kant van een eigen zaak te hebben. Maar aan de andere kant is het zelf op zoek gaan naar projecten wel heel spannend.

-Work Life balance, hoe pak jij dat aan? 

Jefta: Met een kind in huis probeer ik bewust thuis te zijn en met mijn familie bezig te zijn. Het helpt dat mijn vrouw ook zelfstandige is en haar eigen agenda beheert. Zo kunnen we beiden flexibel zijn als er eens iemand langer moet werken. Ik doe ook veel mailverkeer op mijn smartphone om minder achter de computer te moeten zitten. Maar gezien ik mijn werk best wel graag doe voelt het ook niet als een straf om er na de werkuren mee bezig te zijn. 


-Wat is jouw droom voor jouw bedrijf?

Jefta: Een eigen atelier dat helemaal ingericht is naar mijn zin, met alle machines en tools. Dat zou een droom zijn. Op zich zet ik mij ook niet vast aan het hebben van een bedrijf. Mocht er een interessante job in een instelling komen zou ik daar ook voor gaan. Het gaat mij om het werk als restaurator, de vorm mag altijd veranderen.


-Is er iemand naar wie je opkijkt?

Jefta: Er is niet echt een specifiek persoon naar waar ik opkijk. Ik heb wel bewondering voor mensen die heel diep kunnen gaan in een specifiek onderwerp en daar alles over weten. Het is altijd leuk om met zo mensen te spreken. Daarnaast is het ook niet moeilijk om bewondering te hebben voor de ambachtsmensen als je een mooi gemaakt object binnen krijgt. Zeker in tijden waar alles maar een bepaalde tijd moet meegaan en als gevolg van slechte kwaliteit is gemaakt.


-Hoe is het voor jou om in België restaurator te zijn?

Jefta: Belgie is qua aanwezigheid van kunst en erfgoed echt een speeltuin. We zijn verwend op dat vlak. Wat soms maakt dat er niet altijd geld is om alles even goed te bewaren. Ik denk dat elk museum in het binnen- en buitenland wel zijn budgetaire beslommeringen heeft, dat merk je wel wanneer je met mensen uit het buitenland praat. Hoewel het altijd leuk is om eens te werken in een museum met echt goede budgetten. 

Het is niet moeilijk om bewondering te hebben voor de ambachtsmensen als je een mooi gemaakt object binnen krijgt. Zeker in tijden waar alles maar een bepaalde tijd moet meegaan en als gevolg van slechte kwaliteit is gemaakt.


-Leuk weetje dat je de laatste maanden ontdekt?

Jefta: Ja! Zeer random wel. Er zijn kapperszaken die een uithangspaal hebben met witte, rode en blauwe strepen. Vroeger konden kappers ook aderlaten en dit gaf aan dat het kon worden uitgevoerd in het kapperssalon. Ik vroeg mij altijd af voor wat dit kon staan.


-Heeft Covid – 19 een grote impact gehad op jouw werkzaamheden?

Jefta: Ik heb steeds kunnen doorwerken maar er is veel verschoven waardoor mijn planning op het moment wat chaotisch is. Er zijn verschillende deadlines die nu samenkomen en andere opdrachten zijn vooruitgeschoven. De grootste impact komt nog volgens mij, als gevolg dat culturele instellingen minder budget gaan hebben. Hopelijk komt de sector wat door de impact heen.

Meer weten? Go to www.jeftalammens.be

Private Art Tours Highlight tour

Ondernemen doe je met stijl? Of toch met kunst! Private Art Tours stelt 17 oktober haar nieuwe locaties and partners voor tijdens een highlight tour doorheen Antwerpen centrum. Samen met boeiende experten organiseren we jouw unieke kans om te proeven van nieuwe behind – the – scenes locaties aan een fantastische prijs. 

Elke expert brengt je mee naar een van de vele verborgen plekjes in Antwerpen. In samenwerking met galerie De Zwarte Panter krijg je ook hier een blik achter de schermen van het mooie historische pand in de Hoogstraat. Geniet ook tijdens de avondreceptie van een verfrissing tijdens of na een rondleiding in de nieuwe tentoonstelling van Jan Van Riet. We beklinken deze ondernemende en kunstinspirende avond bij het betoog van een verrassende spreker (Top Secret). 

We starten 17 oktober om 14u, 15u en 16u en ronden samen af tijdens het netwerkevent: ‘Creative Empowerment’ om 19u. Gezellig napraten doen we veilig op afstand in de tuin van de Zwarte Panter. Elke inschrijving heeft recht op het bezoeken van 5 toplocaties die we samen met onze experten de volgende weken kenbaar maken.


Praktisch? 

Inschrijven doe je best via info@privatearttours.be of bezoek onze website voor meer informatie.

Dit event is volledig coronaproof en inschrijven kan enkel per bubbel van max. 5 personen. 

Inschrijving bedraagt €30 pp.


Maak alvast kennis met onze experten:

Naomi
Giovanna
Inez
Silvia
Jeroen

Deze namiddag wordt verzorgd door Private Art Tours in samenwerking met onderstaande partners:

De Zwarte Panter

DE GOUDEN STRAATJES

ANTWERP JEWELLERY WALK

Kate Maveau

Fotografie / Video

The Insider & Sven van Dorst

Het was een vreemde periode voor de cultuurwereld, musea zijn gesloten en niemand waagde zich aan een gesprek of menselijke warmte. Het is nu midden juni en Private Art Tours nam stiekem de tijd om Sven Van Dorst te interviewen in wat heel even een rustige periode leek. We keken, we dachten na en bovenal waren we verwonderd over de persoon achter de schilderijen. De vele publicaties die we doorbladerden gaven slechts een glimp van de persoon achter de creatieve en onderzoekende schrijfsels. Met zijn recente publicatie voor The Phoebus Foundation, ‘Zot van Dimpna of in het Engels Crazy about St. Dymphna kruipt Sven onder de verflagen van het prestigieuze retabelstuk.

Foto The Phoebus Foundation

Sven heeft ons binnen gelaten in een historisch brein dat het heden weet te enthousiasmeren met toekomstdromen, hilariteit en vooral een zachte persoonlijkheid.

– Dag Sven, we kennen elkaar intussen al even, maar wat behartigde jou voor je kunstenaar werd? 

Sven: (Lacht) Ik heb nooit iets anders gedaan of gekunnen. Het schilderen heeft altijd als iets natuurlijks aangevoeld. Sinds mijn 13de schilder ik met olieverf en kreeg mijn eerstteonderricht in die techniek  in het intieme privéatelier van Maarten Boffé . Daarvoor mocht ik naar de avondschool in Lier waar ik kennis maakte met de olieverftechnieken op een traditionle manier. Daar werd ik aangetrokken door de oude meesters,wat me inspireerde om later naar de academie te gaan. Na een algemene kunstopleiding in het secundair onderwijs schreef ik me dan vervolgens in aan de opleiding restauratie en conservatie in Antwerpen (Koninklijke Academie/Uantwerpen) in eerst instantie om de reconstructies van de oude meesters te kunnen beoefenen.

– Waarschijnlijk is het voor jou vanzelfsprekend, maar jouw succes als kunstschilder en restaurator wordt door velen beschreven als uniek of toch verwonderlijk. Het spreekt een breed publiek aan, maar voor iedereen is het een andere ervaring, waar heb je dit aan te danken?  

Sven: Mijn huidige atelier, de Studio Sven Van Dorst is een werkplaats voor de uomo universale. Het is opgebouwd als een ‘studiolo’ of werkkamer, het omvat een plaats om te schilderen, maar ook ruimte om te denken en te creëren: een bureau en goed gevulde boekenkast en een kleine collectie schilderijen van vrienden en oude meesters. Dat heb ik sterk geleerd in Firenze, waar ik meermaals trainingen heb genoten in het schilderen. Zo studeerde ik aan de Charles H. Cecil academie de Angel Academy of Art om het figuurschilderen onder de knie te krijgen. Ik probeer me zo breed mogelijk te ontwikkelen en ik merk nog steeds evoluties in mijn schilderstechnieken. Daar waar ik me eerst focuste op het technisch juist schilderen kan ik nu genieten van het plaatsen van losse verftoetsen waarmee ik een schilderij boetseer.

Sven in zijn atelier : Studio Sven Van Dorst

– Van het stille Grobbendonk en het grote Antwerpen de oversteek naar de intelectuele top van wetenschap en cultuur, Cambridge. Je kreeg hier een zeer begeerde plek aan de restauratie opleiding van het Hamilton Kerr institute. Kon je daar gemakkelijk je plek vinden als Belg? 

Sven: Zeker en vast, Cambridge is een open wereld. En je moet weten dat ik nooit had gedacht daar terecht te kunnen komen. Mijn tijd in het museum (voorheen actief in KMSKA) liep stilaan ten einde, het was tijd om uit te kijken naar iets nieuws. Ik was piepjong en had tijd om te reizen. Maar een prijzige, unieke plek was in de eerste plaats zeker niet voor me weggelegd. Pas toen ik wist dat het Hamilton Kerr Institute twee betaalde stageplaatsen aanbood kon ik mezelf overtuigen te solliciteren. Anders ging het letterlijk onbetaalbaar worden. Het sollicitatieproces was een ervaring op zich, men neemt je mee naar de ateliers en bespreekt je cv uitvoerig met on the spot vragen over behandelingsproblematieken. Intensief, maar een heel eerlijke en persoonlijke manier van evalueren. De studenten, de professoren en het milieu waarin je terechtkomt is een open deur naar de top van de onderzoekswereld, daar had ik zelfs niet over mogen twijfelen toen ik toegelaten werd. En toch was er twijfel want ik was intussen geselecteerd voor een stageplaats in het Koninlijk Instituut voor Kunstpatimonium, wat voor Belgische standaarden uiteraard ook een droomopportuniteit was. Het waren vrienden en familie die me uiteindelijk in de richting van het Verenigd Koninkrijk duwden. 

Studio Sven Van Dorst is een werkplaats voor de uomo universale. Het is opgebouwd als een ‘studiolo’ of werkkamer, het omvat een plaats om te schilderen, maar ook ruimte om te denken en te creëren.

– Ontwikkeling van een carrière kan soms rare bochten nemen, hoe heeft Cambridge jouw gevormd en hoezo ben je dan toch terug aangespoeld aan de wal van de Scheldestad Antwerpen? 

Sven: Cambridge was in zekere zin onverwacht, maar vanwege het uitgebreide sollicitatiegesprek een goede match. Men kijkt ook of je in de groep past, maar ik was zeker onbezonnen begonnen aan het proces. Ik ben er heel anders vertrokken dan toegekomen. Je krijgt een enorm wetenschappelijk mee en je wordt blootgesteld aan allerhande prikkels die veel verbanden leggen met fysica en geneeskunde. Onderzoek en wetenschappelijk proeven is de basis en alles werkelijk mogelijk. Iedereen die ambitie en talent heeft kan er letterlijk ‘los gaan’ je wordt er aangemoedigd om groot te denken. Op die manier ontwikkelde ik een sterke manier van denk voor de soms moeilijkere momenten in Vlaanderen. Tegelijkertijd reist jouw netwerk later met je mee, ik kan vandaag nog steeds iedereen bellen voor bepaalde problematieken. Ik heb er zeker de liefde ontdekt voor onderzoek en het schrijven van publicaties, een niche waar nog steeds heel veel in te ontdekken valt. 

– Een terugkeer naar Vlaanderen was dan toch aantrekkelijk?  

Sven: Wel, jah… Cambridge is boeiend maar ook zeer hiërarchisch en competitief. Hoewel ik voor de vooropgestelde tijd zeer warm onthaald werd blijf je ergens toch een buitenstaander. De wetenschappelijke omgeving kan bikkelhard zijn. Ik had me voorgenomen een paar jaar in Engeland te blijven, maar toen kreeg ik de vraag van Prof. Katharina Van Cauteren (The Phoebus Foundation) om een restauratie atelier op te richten in Antwerpen. Eerst zei ik : ‘Zijde zot!’, maar dan een jaar later spraken we elkaar terug en toen moest ook ik beseffen dat het een unieke kans was. Wanneer zou ik nog eens een restauratie atelier van nul mogen opbouwen? De rest is geschiedenis…

– Hoe verenig je jouw schildersopleiding met de wereld van restauratie? Is het niet moeilijk jezelf te verdelen over de twee gebieden? 

Sven: Dat bevalt me eigenlijk net. Als kunstenaar moet je rekening houden met heel veel verschillende aspecten. Het commerciële, de galeristen, de opdrachtgever en de druk om te presteren staat het creatieve proces wel eens in de weg. De combinatie met restauratie maakt me flexibeler en het ene versterkt het andere vaak. De vele schilderstechnieken helpen me meermaals bij het begrijpen van de problematieken bij de oude meester. Die kennis is een aspect dat heel vaak verloren gaat, de moderne onderzoeksvormen laten het creatief proces vaak achterwege, hoewel dit net de basis is van elk schilderij. De flexibiliteit van schilderen en restauratie maakt het ook gewoon leuker, ik moet niet kiezen. 

– Heb je grote voorbeelden als schilder?

Sven: Haha, elke week heb ik eigenlijk een ander groot voorbeeld: Van Eyck, Rubens, Rik Wauters, Quentin Massys,…Nogal eclectisch, maar zo is mijn werk ook. 

Voor mij is tentoonstellen een belangrijk moment van reflectie, evalueren wat je hebt gedaan en waar je naar toe gaat.

– Hoe ga je zelf om met kritiek?

Sven: Dat is soms moeilijk, er is geen onderscheid tussen je werk en je persoonlijkheid. Ik praat gewoonlijk niet over mijn werk met andere mensen. Ik vind de mening van veel mensen gewoon niet belangrijk. Bij mensen die ik persoonlijk apprecieer en waar ik naar opkijk vraag ik meestal zelf voor een constructieve feedback. Dat helpt.

– Je won in 2014 de Phyllis Roberts Award in London. Hoe belangrijk is tentoonstellen voor jou? En hoe blijf je zelf gemotiveerd?

Sven: Ik geloofde zelf eerst niet dat ik deze prijs gewonnen had. Ik was zelfs te laat op de opening en bleek dat ik de prijs gewonnen had. 

Voor mij is tentoonstellen het een belangrijk moment van reflectie, evalueren wat je hebt gedaan en waar je naar toe gaat. Natuurlijk is het ook wel commercieel van belang en het is een mooiere setting dan tegen de muur in mijn keuken. Meestal zagen zelfs oude meesters hun werk nooit tentoongesteld of kwam het werk ergens in een afgesloten prive-setting te hangen. Een tentoonstelling is ook een mooi moment om je publiek te bedanken, voor hun hulp en inzet. In mijn geval vaak ook mensen die mij van meet af aan steunden door reizen te sponseren of bij te dragen aan mijn studies. Wat me opvalt is dat mensen ook soms sparen om een werk te kunnen kopen. Dat is een heel speciaal moment. 

– Wat is jouw grootste drijfveer? 

Sven: Ik wil nog steeds elke dag leren en mezelf beter leren kennen. Ik kan heel hard genieten van de verstilling van thuis te schilderen, bezig te zijn en na te denken.

Nog een laatste vraag, heb je een gouden tip voor startende schilders? 

Sven: Maak het jezelf niet te moeilijk, het hoeft geen keuze te zijn. Je wordt geen schilder of schrijver, je bent dat al. Je wordt er gewoon beter in en je moet het eenvoudigweg  doen. Denk echt groot, in Vlaanderen is het zo makkelijk om klein te denken. Reis veel en leer overal, ik leer zelf nog elke dag bij over schilderen, geschiedenis. Je zal ook constant in vraag gesteld worden. Het spannende aan het schilderen is ook net het constante proces van leren, niet alleen over de materialen maar ook jezelf leren kennen.

Een werk van de Vlaamse Primitieven in de Antwerpse kathedraal

De kathedraal van Antwerpen staat bekend om haar barokke kunstwerken, maar wist je dat één van de oudste schilderijen dateert van de vijftiende eeuw en (voorlopig) verscholen zit in het depot?

Het gaat om het werk van een Brusselse schilder die niet met naam is gekend (afb. 1). Hij moet in de omgeving van de befaamde Vlaamse Primitief Rogier van der Weyden(1400-1464) aan het werk geweest zijn. Meermaals hebben kunsthistorici het schilderijstilistisch met andere kunstwerken in verband willen brengen en er werd even aangenomen dat het van de hand van Rogiers zoon, Pieter van der Weyden, moest zijn. Aangezien hiergeen zekerheid over bestaat, kreeg de schilder meermaals als alternatief een noodnaam toegewezen, zoals “Meester van het huwelijk van Maria” of “Meester van de geschiedenis van Sint-Jozef”.

Afbeelding 1: Anonieme meester, Scènes uit het leven van St-Jozef, 1450 – 1475, olieverf op paneel. Copyright fotografie Bruno Vandermeulen.

De beide zijden van het paneel zijn beschilderd. De voorzijde geeft belangrijke scènes weer uit het leven van de heilige Jozef. Zo wordt de uitverkiezing als ware echtgenoot van Maria links in de kerk afgebeeld. Net daarbuiten vindt zijn huwelijk met Maria plaats.
De keerzijde is er wat minder goed aan toe en het geeft een landschap weer met centraal de knielende keizer Augustus (afb. 2). Hij wordt omgeven door de Tiburtijnse sibille en enkele mannen en vrouwen. Het thema is een populaire voorstelling in de beeldende kunst van de vijftiende en zestiende eeuw in de Zuidelijke Nederlanden, ruwweg het huidige België.

Afbeelding 2: Anonieme meester, Keizer Augustus en de Tiburtijnse sibille, 1450 – 1475, olieverf op paneel. Copyright fotografie Bruno Vandermeulen.

Gemaakt voor de kathedraal van Antwerpen?

Voor wie, welke instelling of wanneer het paneel precies is besteld, weten we niet, maar stilistisch bekeken staat al vast dat het ergens tussen 1450 en 1475 tot stand is gekomen. De opdrachtgevers zijn niet gekend, maar waarschijnlijk zijn ze wel op het paneel afgebeeld, aangezien de gezichten van vele personen zeer verfijnd, verschillend en levensecht zijn geschilderd. Eén persoon centraal op het schilderij valt op (afb. 3). Een man op leeftijd is rijkelijk uitgedost en draagt een gilde- of ordeteken om zijn hals. Zou hij een Antwerpse gilde vertegenwoordigen? Meer detectivewerk is aan de gang om deze bijzondere man te kunnen identificeren.

Afbeelding 3: Man met halsketting, Anonieme meester, Scènes uit het leven van St-Jozef. Copyright fotografie Bruno Vandermeulen.

In 1728 hing het schilderij in de kerkmeesterskamer, de vergaderzaal van de kerkfabriek. Daar was het slechts voor een geringe groep van gegadigden zichtbaar. Aan het einde van de achttiende eeuw brak de Franse Revolutie uit. Het bracht met zich mee dat alle kloosters moesten sluiten en dat de kunstwerken van de kathedraal geïnventariseerd en verwijderd of verkocht werden. Een aantal schilderijen, waaronder de Kruisafneming van Rubens, werden naar Parijs overgebracht. De kunstwerken in de kerkmeesterskamer bleven tussen 1794 en 1815 uit de handen van de Franse troepen gespaard.

Afkomstig van een veelluik of retabelstuk?

Het is pas in 1856 dat het schilderij naar de kooromgang van de kathedraal verhuisde en ter hoogte van de Sint-Jozefskapel werd opgehangen. Daar kregen gelovigen en bezoekers de kans om het kunstwerk te bekijken. Zo’n tiental jaren terug was het paneel nog in de kathedraal te bezichtigen, tegenover de venerabelkapel, maar omwille van (restauratie)werken in het zuidelijk deel van de kooromgang, werd het paneel noodgedwongen naar het depot verhuisd. 

De beide zijden van het paneel zijn beschilderd. Dat geeft aan dat het schilderij ooit een zijpaneel vormde van een groter geheel. De zijde over Sint-Jozef is zeer verfijnd uitgewerkt, de andere kant is dan weer wat eenvoudiger en vluchtiger gerealiseerd. Dat doet vermoeden dat de afbeelding van Keizer Augustus met de Tiburtijnse sibille de buitenzijde van een altaarvormde en dat slechts uitzonderijk, bij bepaalde liturgische momenten, het altaarstuk werd geopend. De iconografie van de keizer en de sibille werd in de schilderkunst toegepast om de komst van Jezus Christus aan te kondigen. Het is zeer aannemelijk dat het paneel ooit deel uitmaakte van een altaarstuk dat de geboorte van Christus uitbeeldde.


Er doet zich één probleem voor bij de voorstelling van het buitenluik: de keizer en de sibille zijn afgebeeld, maar de typische voorstelling van Maria en het Jezuskind in de lucht ontbreekt. Met behulp van de infraroodreflectografie, uitgevoerd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK), wordt duidelijk dat de kunstenaar ze in de ontwerpfase had uitgewerkt, maar ze bij het schilderen heeft weggelaten (afb. 4). De positie van de handen en gezichten van de keizer, de sibille en de andere figuren op het paneel doen vermoeden dat Maria en Kind hogerop, op een ander paneel waren toegevoegd. Dat maakt dat het gehele altaarstuk een omgekeerde T-vorm vormde. Het is dan nog de vraag of het centrale gedeelte bij het openen van het altaarstuk een geschilderd paneel was, of bestond uit verschillende gebeeldhouwde figuurtjes, wat maakt dat het een retabel geweest zou zijn.

Afbeelding 4: Positie van de ondertekening Maria met Kind aangeduid in de luchtpartij. copyright KIK-IRPA, Brussel.
Afbeelding 4a: Ondertekening Maria en Kind in luchtpartij. copyright KIK-IRPA, Brussel.

De kathedraal van Brussel als inspiratie

Zo’n veertig jaar geleden was de Brusselse Sint-Michiels en Sint-Goedelekathedraal erg bouwvallig. Een grote restauratiecampagne was noodzakelijk om het gebouw overeind te kunnen houden. Tijdens het vooronderzoek in het schip van de kathedraal werden onder de grote ramen sporen van een triforium opgemerkt (afb. 5). Dit is een gaanderij met arcaden die vaak in het schip van gotische kathedralen werd voorzien. Er ontstond het idee om het triforium te reconstrueren naar haar oorspronkelijke, middeleeuwse toestand, maar hoe zag die er dan precies uit? Bouwhistorisch onderzoek werd uitgevoerd en het schilderij in de Antwerpse kathedraal leek een goed en bovendien zeer gedetailleerd voorbeeld te zijn. Bijkomende studies werden uitgevoerd en uiteindelijk werd beslist dat het vijftiende-eeuwse schilderij als voorbeeld kon gebruikt worden om de reconstructie aan te vatten (afb. 6 en 7). 

Meer weten?

Een uitgebreide studie, zowel over de herkomst van het paneel, de iconografie van beide zijden, de stilistische analyse, het gepuzzel van de oorspronkelijk opstelling van het altaarstuk en het materiaal-technisch onderzoek is gepubliceerd in het Belgisch Tijdschrift voor Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis:

Jeroen Reyniers, ‘Onbekend maakt onbemind. Een vijftiende-eeuws schilderij in de stijl van Rogier van der Weyden in de Antwerpse kathedraal’, in: Belgisch Tijdschrift voor Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis, 84 (2015), p. 57-123.

In M&L-Tijdschrift voor Monumenten, Landschappen en Archeologie lees je alvast meer over de geschilderde architectuurelementen op het schilderij en het debat over de restauratie van het triforium in de Brusselse kathedraal.

Jeroen Reyniers, ‘Onroerend erfgoed op paneel. Een 15de-eeuwse voorstelling van een gotische kerk’, M&L. Tijdschrift voor Monumenten, Landschappen en Archeologie, 33, 1 (januari-februari 2014), p. 42-61.

Fotoverantwoording
Het beeldmateriaal werd door het KIK en Bruno Vandermeulen aan de KU Leuven aangeleverd. Met een bijzondere dank aan prof. Jan Van der Stock (Illuminare-Studiecentrum voor Middeleeuwse Kunst-KU Leuven) die de uitvoerige fotografie van het schilderij in 2009 waarmaakte.

De top 3 architectuur in Antwerpen van stadsgids Natacha van de Peer

Enkele dagen geleden kreeg ik van Giovanna en Naomi de vraag om iets te schrijven rond mijn top 3 architectuur in Antwerpen. In de eerste plaats was ik enthousiast om hieraan te beginnen, maar al vlug kwam het besef: wat ga ik allemaal moeten weglaten en wat komt er op twee en drie.

Mijn nummer blijft duidelijk: het Havenhuis van Zaha Hadid Architects. Zaha Hadid was een van mijn voorbeelden tijdens m’n studies architectuur en ik was blij verrast toen ik hoorde dat er een ontwerp van haar in mijn geboortestad gebouwd zou worden. Toen ik hier mocht gidsen tijdens de werfperiode, is mijn passie voor dit gebouw enkel toegenomen. Het anderhalf uur dat voorzien is voor een rondleiding, is meestal te kort om alle details en ingenieuze toepassingen te bespreken. Alleen al omwille van het feit dat het bovenste deel van het ontwerp, de nieuwbouw met vier verdiepingen, rust op maar 6 kolommen, verdient het Havenhuis de eerste plaats.

Op de tweede plaats zet ik de Sint-Carolus Borromeuskerk. Daar zijn vele redenen voor. De architect François d’Aguilon was een wetenschapper die vooral bezig was met optica. In dit gebouw werd echt nagedacht over hoe het licht binnenvalt, vooral om de schilderijen van Rubens mooier te laten uitkomen. Van zijn 43 schilderijen die hier bij de opening in 1621 hingen, blijft er nu  nog maar eentje over. De schilder heeft ook meegewerkt aan de decoratie van de Mariakapel, een marmeren snoepjesdoos. Er is nog een reden waarom deze kerk op nummer twee staat: het unieke takelsysteem om de schilderijen boven het hoofdaltaar te wisselen. Dit moet je ooit in je leven gezien hebben.

De keuze voor de derde plaats is heel wat moeilijker: een ander hedendaags gebouw – zoals het Justitiepaleis of het nieuwe Provinciegebouw – of andere gekende architecturale pareltjes – bijvoorbeeld het Centraal Station. Toch kies ik voor een kleiner functioneel gebouw: het inkompaviljoen van de voetgangerstunnel uit de jaren 1930 op de Sint-Jansvliet. De grote lift komt direct uit op het plein. De originele houten roltrappen doen nog steeds dienst. Het gebouw is niet opvallend, maar er zit veel architecturaal karakter in en daar hou ik van.


Natacha van de Peer is stadsgids, schrijver en organisator van verschillende activiteiten. Met een passie voor architectuur werkt ze boeiende rondleidingen uit in Antwerpen. Lees meer op haar website!

Maria, katholieke diva en Antwerpse volksgodin

In de Onze-Lieve-Vrouw Kathedraal van Antwerpen wordt een Mariabeeld uit de 12de eeuw bewaard. Het is een houten beeld dat Maria voorstelt met Jezus op de arm. De figuren zijn iets kleiner dan levensgroot uitgewerkt en het snijwerk is eenvoudig maar verfijnd. Het beeld is aangekleed in gewaden die de figurlijk bijna overschaduwen in hun omvang en overdadige decoratie zoals gouddraad, edelstenen, borduurwerk. Zowel de Madonna als het Christuskind dragen een kroon en scepter. Het beeld staat in de kerk opgesteld in een kapel in de noordelijke zijbeuk omringd door verse bloemen en brandende kaarsen. Eén keer per jaar wordt de ware functie van dit object onthuld: de figuur wordt plechtig rondgedragen voor een ommegang rond de Kathedraal (of in de Kathedraal bij slecht weer) die sinds eeuwen plaatsvindt rond 15 augustus, het feest van de Hemelvaart van de Onze-Lieve-Vrouw.

Ook op zondag 18 augustus 1566 trok de Mariaprocessie door Antwerpen. De optocht werd die dag verstoord door een paar oproerkraaiers. Ze scanderen:

Maaiken, Maaiken (= Maria), dit is uw laatste uitgang!

Twee dagen later trokken de rebellen systematisch van kerk tot kerk. Ze vernielden elk religieus beeld dat ze konden vinden. De burgers van de stad keken toe, maar niemand greep in. Onder hen waren protestanten te vinden die de actie steunden omdat ze aanstoot namen aan het verafgoden van heiligenbeelden. Volgens de reformisten leidden die af van het ware geloof, dat je enkel kan vinden in het Schrift, de Bijbel. De vele katholieken onder de Antwerpse bevolking zwegen, uit vrees voor represailles, maar de impact van deze gebeurtenis kan moeilijk overdreven worden. De vernieling van de heiligenbeelden en in het bijzonder van de vele Mariabeelden die zich op de gevels bevonden, raakte aan de kern van de Antwerpse identiteit.

Hogenberg, F. (atelier) (1579), De iconoclastische furie, ets. Geraadpleegd van Baisier, C. (2016). Divine Interiors: Experience churches in the age of Rubens. Antwerpen, België. BAI, Kontich.

Sinds het begin van de 12de eeuw was de moeder van Jezus namelijk het object van een diepgewortelde volksdevotie in Antwerpen. Buren verenigden zich in sodaliteiten om een Mariabeeld aan te kopen voor de wijk en zorgden samen voor het onderhoud. De rijkere burgers van de stad stonden vrijwillig juwelen en edelstenen af om de verschillende processiebeelden te versieren. Maria was de beschermheilige van de stad, de benaderbare menselijke godin die voor iedereen, arm of rijk, als voorspreekster en bemiddelaar optrad bij Jezus en God de Vader.

Zij was van het volk, voor het volk.

Wat volgde na de Beeldenstorm waren decennia aan politieke en religieuze onrust. Antwerpen werd in die periode een speelbal tussen het katholieke Zuiden en het protestantse Noorden. Na een dramatische passage van de hertog van Alva die hard optrad tegen protestanten, kwam de lokale bevolking in opstand en sloegen de Geuzen er in de Schelde af te sluiten en zo de Antwerpse haven zo goed als stil te leggen. Een paar jaar later namen de Calvinisten het bestuur van de stad over. Zij ontdeden de stad verder van religieuze iconen en schilderden het interieur van de kerken, inclusief de Kathedraal, wit. Men benoemde deze Calvinistische periode achteraf als een tweede, minder gewelddadige, maar bureaucratische Beeldenstorm.

In 1585 had de Spaanse koning Filips II er genoeg van dat de rijke en strategisch zo belangrijke Nederlanden in handen waren gevallen van de protestanten. Hij stuurde Alexander Farnese er op uit om Antwerpen te heroveren in naam van de Spaanse Kroon. Farnese was een militair strateeg en brave katholiek, gedoopt door niemand minder dan Ignatius van Loyola, de oprichter van de jezuïetenorde. Tijdens de belegering van Antwerpen stationeerde hij zijn manschappen aan de linkeroever van de Schelde, in Beveren. In zijn kamp stond naast zijn tent een Mariabeeld en had hij het Angelus ingesteld:

Drie maal per dag werd het gebed voor Maria opgezegd door de soldaten, door trompetgeschal aangekondigd. Op de ochtend van de beslissende inval ging hij bezinnen in het kleine kapelletje ter ere van de Onze-Lieve-Vrouw van Gaverland. Het bewuste beeldje wordt daar nog steeds in processie rondgedragen. Alexander Farnese slaagde in zijn opzet en de Val van Antwerpen was een feit, in naam van Maria.

Nu Antwerpen heroverd was moest de stad een uithangbord worden voor de macht van de Spaanse Kroon en voor de overwinning van het katholicisme op het protestantisme. Onder leiding van de jezuïeten, in de volksmond de Spaanse priesters genoemd, werd er in de stad in sneltempo een godsdienstige eenvormigheid doorgevoerd door middel van de beeldende kunsten. De stijl waarin deze heropleving van religieuze kunst werd vervaardigd, was de Barok, overgewaaid uit Spanje en Italië. De stroming die de voorkeur geeft aan dramatische voorstellingen van eenduidig en snel te begrijpen theatrale emotie, bleek perfect aan te sluiten bij de politieke tijdsgeest en de bekeringsdrang van de jezuïeten. Kunst werd ingezet als propaganda, als een middel om de toeschouwer te overtuigen van de deugdzaamheid van het katholieke geloof en als een waarschuwing voor het lot dat ketters beschoren was.

In Antwerpen was ze een spilfiguur in de reconstructie van de kerken en in het etaleren van katholicisme in het straatbeeld.

Elk drama heeft natuurlijk een goede diva nodig. Voor de kunstenaars van de periode, Rubens, Van Dijck, Jordaens en hun navolgers, was dat Maria. De stad en haar kerken lopen over van barokke afbeeldingen van de Madonna die in die tijd geproduceerd werden, zoals in de Mariakapel van de Sint-Carolus-Borromeuskerk waar Rubens in opdracht een altaarstuk schilderde dat het meest dramatische en wonderbaarlijkste moment uit het leven van Maria voorstelt, haar tenhemelopneming. Maria verdwijnt in dit grote paneel al bijna uit beeld, omhoog gestuwd door een zwerm putti die haar opwaartse vaart kracht bijzetten. Aan haar voeten verschijnen de apostelen met een onovertroffen dynamisme en aandacht voor de individualiteit van elke figuur die wie van de Antwerpse meester gewoon zijn. Kunstenaar Filips De Vos herstelde het processiebeeld van Maria. Het beeld verloor tijdens de Beeldenstorm een arm, maar overleefde de religieuze onrusten verder ongeschonden, dankzij de snelle reactie van de kapelmeesters die de gewaden in koffers verpakten en buiten de stad in bewaring gaven. Het beeld zelf werd al die tijd verborgen in de woning van de kapelmeesters, tussen twee muren gemetst. Over heel de stad werden Mariabeelden teruggeplaatst en nieuwe toegevoegd. De Mariaprocessie werd snel terug georganiseerd.

Vreemd genoeg speelt de moeder Gods maar een kleine rol in de boeken die canonisch zijn opgenomen in de Bijbel, maar doorheen de christelijke geschiedenis werd er een corpus aan apocriefe teksten geproduceerd die de levensloop van Maria, van haar wonderbaarlijke geboorte tot haar rol bij de verrijzenis van Christus, aandikken met kleurrijke details. Deze wildgroei aan volkse verhalen stootte de protestanten tegen de borst en versterkte hen in het geloof dat de verering van Maria niets minder was dan afgoderij.

Maar door de katholieken werd deze devotie getolereerd en zelfs aangewakkerd door middel van een explosieve groei aan afbeeldingen van Maria waar we tot op vandaag in het Antwerpse straatbeeld de sporen van terugvinden.

Ook het beeld van Brabo dat in de gevel van het stadhuis prijkte, werd in de 16de eeuw vervangen worden door een Mariabeeld. Op de gevel van het oude, gotische stadhuis stond reeds een Mariabeeld, maar onder de invloed van het humanisme hadden de ontwerpers van het Renaissancegebouw dat we nu kennen er voor gekozen om Silvius Brabo in de hoogste nis te plaatsen. De mythe van de Romeinse legionair kwam immers goed van pas om een parallel te leggen tussen Antwerpen en de erfenis van het Romeinse Rijk uit de Oudheid. Het stadsmerk van Rome – Senatus Populusque Romanus, werd mee geëxporteerd als SPQA. Maar onder leiding van een man die de veelzeggende bijnaam ‘de hamer van het protestantisme’ draagt, werd de figuur van Brabo vervangen door een Mariabeeld en in de nis geplaatst hoog bovenaan en midden in de gevel van het Schoon Verdiep.

Zelfs in 19de-eeuwse bronnen kunnen we nog lezen welke indruk de inwijding van het beeld moet gemaakt hebben op de Antwerpenaren in 1565.

“Alles werd in gereedheid gebracht om het beeld van de Heilige Moeder uit de Sint-Carolus-Borromeuskerk naar het stadhuis processiegewijs te dragen. Opeens werd de lucht donker, de wind loeide en een vreselijke orkaan hing over de stad. De ketters jubelden en zeiden openlijk dat de Hemel zo zijn afkeuring te kennen gaf tegenover dit bijgeloof. Doch opeens, o geluk! De wind stuift de wolken uiteen en het schone azuur van de hemel prijkt boven de stad. De schone zon glimlacht bij deze triomf van de Koningin van de Heer en haar schone stralen vergulden op de gevel van het stadhuis het beeld van Haar.”

Zonder haar is de geschiedenis van Antwerpen niet dezelfde. De iconografieën van de Madonna zoals ze in Antwerpen verschijnen op façades, straathoeken en zuilen midden op de pleinen, zijn onmisbaar om de (kunst)geschiedenis van deze stad te begrijpen. In hun diversiteit verbeelden ze een obsessie die vanuit de volkse onderbuik van deze plek overleeft door de eeuwen heen en op sleutelmomenten door de machthebbers werd aangewakkerd om hun hegemonie te bestendigen. Zonder Maria, geen Antwerpen.


Mannaerts, R. (2011). St.-Carolus Borromeus. De Antwerpse jezuïetenkerk-een openbaring. Antwerpen, België: TOPA vzw.

Mannaerts, R. (2016). De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, een openbaring! Antwerpen, België: TOPA vzw.

Muller, J. M. (2008). Communication visuelle et confessionnalisation à Anvers au temps de la Contre-Réforme. Dix-septième siècle, 240(3), 441. https://doi.org/10.3917/dss.083.0441

op de Beeck, R. (2010). De gilde van Onze-Lieve-Vrouwe-Lof in de kathedraal van Antwerpen : vijfhonderd jaar Mariaverering te Antwerpen. Antwerpen, België: Gilde van Onze-Lieve-Vrouwe-Lof.

Rubens, P. P. (1613). De Tenhemelopneming van Maria [Schilderij]. Geraadpleegd van https://www.topa.be/nl/antwerp/kerken-in-antwerpen/sint-carolus-borromeus-2/syllabus/mariakapel/

Strecker, W. (2010). Madonna- en heiligenbeelden in de Antwerpse binnenstad. Antwerpen, België: Voor Kruis en Beeld.

Thyssen, A. (1922). Antwerpen vermaard door den eeredienst van Maria : geschiedkundige aanmerkingen over de 500 Mariabeelden in de straten der stad. Antwerpen, België: Dienst der katholieke werken.

The Insider & Vera L’Ecluse

Elke maand licht ‘The Insider’ voor Private Art Tours het werk van een kunstexpert toe, ditmaal gaan we in gesprek met Vera L’Ecluse, Gallery Relations Coordinator bij Art Brussels. Wat maakt van een kunstliefhebster een kunstexperte? Wij zijn alvast overtuigd door Vera’s boeiende verhalen en kregen een blik achter de schermen van de fantastische kunstbeurs voor hedendaagse kunst Art Brussels. Vera L’Ecluse gezien door de ogen van haar vrienden zou je het best kunnen beschrijven als ’topvrouw’. Private Art Tours ging verder op onderzoek!

– Eerst en vooral,
wie is Vera achter de job?

VERA: Ik zie mezelf als een ambitieus persoon, vooral om resultaat te bereiken in mijn werk want dat geeft enorm veel voldoening. Nu ik mooie kansen krijg om er iets mee te doen ga ik er ook volledig voor. Hoewel ik ook ontdekte dat het nodig is om geduldig te zijn, zonder te veel te vragen. Verder ben ik een doorzetter en heb ik gemerkt dat minipasjes vooruitzetten even belangrijk kan zijn. Al vraagt het soms om jezelf een beetje onzichtbaar te maken, zal ik er altijd voor blijven gaan een vooropgesteld doel te bereiken. Als het resultaat er is vind ik het op dit moment in mijn leven niet zo erg om op de achtergrond te werken. Buiten mijn werk geniet ik enorm van kunst en mooie dingen zien. Samen zijn met familie en vrienden kan echt deugd doen.

“Galeries vervullen een belangrijke rol tussen musea en kunstenaars een goede galerie beaamt dit ook.”

– Je hebt al een boeiende weg in je carrière afgelegd,
hoe ben je bij Art Brussels terechtgekomen?

VERA: Via een vriendin, Katinka Vandevelde, werd ik gevraagd om spoedig op de beurs te helpen, dit ging toen vooral over kunstwerken uitpakken en de kunstenaars helpen. Alles verliep heel erg vlot en operationeel heb ik veel kunnen meewerken. De mensen waarmee ik gewerkt had hebben na afloop vele goede woorden gezegd en toen kon ik starten bij VIP Relations. Dus allemaal super toevallig maar op het juiste moment, want ik zat zonder job en had voordien ook ervaring met galeries. Dus dit leek een goede combinatie.

– Een mooie nieuwe uitdaging?

VERA: Voor mij was het leuk om eens aan de andere kant te staan tijdens Art Brussels. VIP Relations werkt een jaar aan een planning om het beste te voorzien voor de VIP’s tijdens de 4 dagen van de beurs. Het was niet per se wat me echt passioneerde want je hebt hierdoor minder contact met de galeries en de kunstenaars, maar het was een enorm interessante ervaring.

Vorig jaar werd ik gevraagd om meer binnen ‘Gallery Relations’ mee te werken als Gallery Relations Coordinator wat voor mij een zeer mooie functie is. Veel mensen zien galeries in een dubieuze rol en denken dat ze alleen maar geld willen verdienen ten koste van de kunstenaar. Maar dat is een serieuze misvatting, zonder galeries zouden veel succesvolle kunstenaars waarschijnlijk niet bestaan. Er is namelijk meer aan een galerie dan het oog op winst maken. Galeries vervullen een belangrijke rol tussen musea en kunstenaars een goede galerie beaamt dit ook. Spijtig genoeg zijn er ook vele galeristen die enkel gefocust zijn op geld verdienen. Wat wel begrijpelijk is want een galerie runnen is ontzettend duur.

 “België heeft de reputatie om het grootst aantal verzamelaars per capita te hebben. Bovendien staat de Belgische verzamelaar bekend om zijn honger naar opkomende, nog onbekende kunstenaars.”

– Waarom verkies je om voor een beurs te werken
en niet voor een galerie?

VERA: Zelf zou ik niet meer voor een galerie willen werken omdat het zo’n intens persoonlijke aangelegenheid is. Het is heel moeilijk om je in de galerie van iemand anders in te werken en van al zijn/haar kunstenaars te houden en hun werk te verdedigen. De enige “oplossing” zou zijn om zelf een galerie te openen, dan weet je zeker dat je als een blok achter elke kunstenaar op het rooster kunt staan. Wie weet ooit misschien.

Het is dan ook geweldig om bij Art Brussels op de rol van gallery relations te kunnen werken. Je ontdekt er enorm veel kunstenaars en kan veel bijleren van de verschillende galeristen. Wat me hier vooral in boeit zijn de verhalen over de kunst en kunstenaars van de galeristen zelf. Sommige galeristen zijn namelijk vol geloof in hun kunstenaars en blijven hen soms gedurende heel hun carrière steunen, door dik en dun, dat is echt bewonderingswaardig. Ik vind het fantastisch hier zoveel kennis in op te doen.

Onze primaire rol is heel sec verwoord een stand verkopen aan galeristen, maar ook hier proberen we een serieuze ervaring van te maken en tonen dit met veel enthousiasme aan de galeristen. We willen duidelijk maken dat Art Brussels top galeristen samenbrengt en we vragen hen ook om vernieuwend te werken. We moedigen hen aan om solo tentoonstellingen te organisren waarbij één kunstenaar cetraal staat. Op deze manier willen we hen er aan herinneren dat de ‘content’ van de galerie bijdraagt aan de kwaliteit van de beurs. Daarnaast organiseren we ook zelf artistieke projecten, door bijvoorbeeld een (of meerdere) kunstenaar(s) uit te nodigen om één van onze sponsor lounges in te richten.

Art Brussels VIP Welcome 2019

“Art Brussels is meer dan ‘verkopen’ en helpt de galeristen om interessante combinaties van kunstenaars tentoon te stellen. Op deze manier willen we een lange termijn visie naar voren schuiven en steeds inhoudelijk topkwaliteit leveren.”

– Zijn het goede tijden
voor Belgische kunstenaars?

VERA: Volgens mij krijgen meer mensen een ‘voice’ en is er veel meer diversiteit te zien op de Belgische kunstmarkt. Een paar jaar geleden was Outsider Art bijvoorbeeld nog niet zo zichtbaar in België als nu. Het is zeker een boeiende tijd waarin veel mogelijk is.

– Wat maakt van Brussel een interessante kunstlocatie?
Wat houd je hier?

VERA: Brussel heeft als grote voordeel dat het heel veel kunstenaars op een relatief kleine oppervlakte samenbrengt. Dit maakt de stad een strategisch kosmopolitische plek dicht bij andere belangrijke centra België heeft de reputatie om het grootst aantal verzamelaars per capita te hebben. Bovendien staat de Belgische verzamelaar bekend om zijn honger naar opkomende, nog onbekende kunstenaars. Art Brussels doet het heel goed op gebied van internationale kunstenaars. België heeft een dankbaar publiek, ze zijn geïnteresseerd in jonge kunstenaars. Wij hebben er op Art Brussels zelfs een aparate sectie voor, Discovery, en we zien dat het een succes is. De galeristen laten ook blijken dat Belgen een sociaal publiek zijn; zo komen ze vertellen dat er veel gesproken wordt met de galeristen en dat men nieuwsgierig is naar onbekende kunstenaars en galeries. We hebben hier te maken met een ingetogen maar serieus en geboeid publiek.

Vera bij Office Baroque
Kunstwerken door Jan De Cock

– Sinds maart dragen we allen de gevolgen van het Corona virus,
Art Brussels werd uitgesteld naar april 2021. Is er sprake van een ‘Corona Effect’ op jonge kunstenaars en galeristen?

VERA: We merken dat grote galeries goed blijven verkopen, maar voor de kleine galeriehouders is dit helemaal niet zo evident. De lage verkoopcijfers ten gevolge van het virus heeft natuurlijk een grote impact op de kleinere galeries. Dit betekent voor velen minder budget om projecten van kunstenaars te steunen. Spijtig genoeg zijn de meeste galeries klein in België.

– Corona Effect op
Vera?

VERA: Initieel had ik een grote zorg; dat ik mijn job ging verliezen. Daarnaast was het gewoon ontzettend spijtig dat een heel mooi moment, de beurs zelf, niet kon doorgaan. Ondertussen is gebleken dat elke crisis inderdaad een uitdaging is: we zullen het beursconcept volledig moeten heruitvinden en bekijken hoe het veilig kan op vlak van bijvoorbeeld social distancing en extra aandacht voor hygiëne, zonder in te boeten aan het feestelijk connecteren tussen galeristen, verzamelaars en kunstenaars.

– Heruitvinden is niet altijd eenvoudig,
hoe pakken jullie dit aan?

Een belangrijk initiatief dat wij tijdens deze crisis lanceren, in samenwerking met Gallery Viewer, is een online viewing room. Hiermee willen we onze galeries de kans geven om online met onze VIPs en bezoekers te connecteren en hopelijk ook wat werk te verkopen. Het verschil met andere online platforms – want tegenwoordig biedt elke kunstbeurs wel zoiets aan – is dat de onze relatief lang zal open zijn (bijna drie weken) en dat we onze galeries aanmoedigen om wekelijks hun selectie te veranderen en te proberen steeds een thematische selectie of een solopresentatie voor te stellen.

Hierdoor trekken we het profiel van onze beurs door online, namelijk verzorgde en gecureerde presentaties. Door dat er wekelijks niewigheden zullen te ontdekken vallen, hopen we zo ook de aandacht van onze online bezoekers vast te kunnen houden en hen te kunnen triggeren om meermaals terug te komen rondsnuisteren (terwijl op de meeste platforms enkel de eerste dag een hit is). Ons platform zal gelanceerd worden op 28 mei om 11u en blijft bezoekbaar tot en met 15 juni. Je kan erop zonder je te moeten registreren (ook een innovatie! dit werkt drempelverlagend!) en je kan de toegangsknop vinden vanaf 28 mei op de homepage van onze website.

– ‘Flattening the curve’ heeft dus ook
een positief effect op jou?

VERA: En of! Ik moet niet meer naar mijn werk pendelen wat toch een serieuze commute was van een uur en veertig minuten heen en terug. Verder heb ik nu tijd om elke avond een lange wandeling te maken van anderhalf uur. Thuis koken we veel meer en je hebt niet het gevoel dat je iets mist, want er is niets! Geen overdrive meer, geen fear of missing out! Maar ik kijk er wel naar uit om sommige dingen terug te hernemen, ik mis mijn collega’s enorm. In de toekomst hoop ik zeker terug naar concerten te gaan en ik kijk er echt naar uit terug tentoonstellingen te kunnen bezoeken. 

Heb jij nog ‘lock down’ tips
voor ons? 

VERA: Zelf lees ik super graag en eigenlijk uitsluitend romans, omdat ik er zo van geniet. Onlangs las ik het schitterende boek ‘ The Hare with the Amber Eyes’ , het gaat over de familie van kunstenaar Edmund De Waal. Het verhaal over een rijke Joodse familie in de 19de eeuw intrigeerde me enorm. De familie verzamelde kostbare Natzuke, Japanse hand vervaardigde parels uit kostbare materialen die gebruikt worden om kleding samen te houden. De parels zijn kunstwerkjes op zich en waren in die periode nog betaalbaar. Het boek beschrijft hoe de collectie van het ene familielid naar het andere gaat en zo kom je meer te weten over de familiegeschiedenis. Dit verhaal brengt alles waar ik nieuwsgierig naar ben samen, Joodse cultuurgeschiedenis, kunstgeschiedenis en de recente Europese geschiedenis in een super goed boek!

“Enkele andere boeken waar ik ook van genoot; The Travelers door Regina Porter en Austerlitz door W.G. Sebald”

Vera na
de lock down?

VERA: Corona of niet, ouders zijn belangrijk! Ik probeer hen met de fiets een bezoekje te brengen dat is een rit van anderhalf uur heen en dan nog eens terug. De galeries gaan gelijdelijk aan terug open in de week van 11 mei en ik zal blij zijn er terug te kunnen langsgaan. Maar verder heb ik geen grootse dingen gepland, ik popel ook niet echt om op vakantie te gaan. Mensen in levende lijve spreken en zien, that’s it!


Art Brussels vind je ook terug via het online platform www.artbrussels.be
Volg ook #onlineexhibitions op sociale media zoals Instagram en bekijk de tentoonstellingen die klaar waren gezien te worden!
Art Brussels is een kunstbeurs voor hedendaagse kunst en maakt deel uit van het grotere beursbedrijf Easyfairs.
Vera werkt in een vast team van zeven man, tijdens de beurs kan dit tot 150 personen oplopen.
Ten gevolge van COVID-19 werd Art Brussels uitgesteld naar 22 – 25 april 2021 alle informatie kan je volgen op de website.

De fluorescerende droom: de reis van een onderzoek

Giovanna Tamà en Naomi Meulemans ontwikkelde een materiaal-technische studie naar aanleiding van de restauratie van het schilderij Split Infinity (1977) van Herbert Aach (1923 -1985) en het doctoraal onderzoek van Stefanie De Winter (‘When Art Turned Day-Glo: Marking the Impact of Daylight Fluorescent Materials in New York Art from the 60s and 70s‘). In het voorjaar van 2018 werd een intensief onderzoek gestart omtrent de conservatie en bescherming van fluorescerende verflagen.

Niet alleen werd fluorescerende verf in haar samenstelling ontleed, er werd voornamelijk aandacht besteed aan de verouderingseigenschappen. Het doel was de levenstermijn van de fluorescentie te verlengen, deze verfsoort te beschermen tegen natuurlijke schadefenomenen en op termijn een geschikte retoucheermethode te ontwikkelen. Het AIC, American Institute for Conservation selecteerde dit onderzoek voor een presentatie op hun jaarlijks congres dat in 2018 plaatsvond in Houston, Texas (VS).

Dankzij de AIC Annual Meeting, de grootste conferentie over conservatie en restauratie in Noord Amerika, kregen de restauratoren de kans om een trip te maken naar de Verenigde Staten.

De bijeenkomst werd gehouden in het Marriott Marquis Hotel in het centrum van Houston, Texas van 29 mei tot 2 juni 2018. Het thema van het evenement was Material Matters. Het was ook hier dat het onderzoek over het retoucheren van fluorescerende verf gepresenteerd en gedeeld werd met de vele andere conservatoren en onderzoekers.

Onderzoek

Hoewel de conservatie van moderne schilderijen (ca. vanaf 1945) zeer verschillend is aan deze van de oude meesters, is er ook binnen de groep van moderne kunstwerken een enorme evolutie waar te nemen aan conservatiemethoden. Een schilderij dat aan traditionele verftechnieken voldoet maar toch geschilderd werd met nieuwe, zelf samengestelde verf zal een zeer ander verouderingsfenomeen vertonen dan werken die niet traditioneel geschilderd werden maar wel met traditionele verfsoorten. (bv. met een paletmes, zonder grondlagen)

De manier waarop een schilderij opgebouwd werd en met welke materialen is dus zeer bepalend voor de kwaliteit van de verflaag. De schilderijen die wij bespreken behoren voornamelijk tot de eerste groep waardoor we ons in het onderzoek kunnen focussen op de verfmaterialen, in dit geval fluorescerende verf, en niet zo zeer op de verftechnieken. 

Tijdens het conserveren van de fluorescerende, monochrome schilderijen van Herbert Aach’s (1923-1985) Split Infinity-serie (1976-77), leidden de standaard retoucheermethoden tot negatieve resultaten. Tot dusverre konden we de fluorescerende kleur simuleren onder stabiele lichtomstandigheden, maar zodra het ultravioletlicht toenam, werd de retouche verontrustend zichtbaar. Naast deze moeilijkheden voor het evenaren van de kleurtonen, verschilde de structuur van het materiaal sterk van de originele verflaag wat een zichtbaar oneffen effect gaf. 

Herbert Aach, Split Infinity

In totaal werd een jaar lang gewerkt aan het analyseren van verschillende bindmiddelen en pigmenten die bruikbaar kunnen zijn bij het restaureren van fluorescerende verflagen.

Herbert Aach was een kunstenaar die zijn eigen pigmenten en verfmedia maakte. De fluorescerende verflagen in de Split Infinity-serie zien er erg droog en fresco-achtig uit en de verzadiging van het fluorescerende pigment in het acrylmedium is veel hoger dan de fluorescerende verf die wordt verkocht in winkels voor kunstbenodigdheden. Herbert Aach was dus in staat zijn verfkwaliteit te verhogen door deze zelf samen te stellen.

Drie significante kenmerken werden duidelijk tijdens deze empirische vergelijking: ten eerste verouderen fluorescerende pigmenten veel sneller dan conventionele pigment; na 10 jaar beginnen ze stilaan hun intensiteit te verliezen. Ten tweede zijn ze zeer transparant door hun organische pigment samenstelling, waardoor ze niet met andere niet fluorescerende kleuren kunnen worden gemengd.

Ten derde zijn er grenzen aan het binden van fluorescerende pigmenten met media, omdat ze vanwege hun hoge transparantie een zeer helder medium nodig hebben. In deze studie werd gezocht naar een nieuwe retoucheermethode die rekening houdt met deze specifieke kenmerken en die het mogelijk maakt om te schilderen met fluorescerende pigmenten in de monochrome, fresco-achtige verflagen van Aachs werken.

In totaal werd een jaar lang gewerkt aan het analyseren van verschillende bindmiddelen en pigmenten die bruikbaar kunnen zijn bij het restaureren van fluorescerende verflagen. Ook deze testen worden nauwkeurig bijgehouden en tot op vandaag nagekeken op verouderingseffecten. 

Nog beschikbare pigmenten van Herbert Aach werden in New York verzameld waar ook de weduwe van de kunstenaar, Doris Aach, ons ontving in haar appartement. De ervaring om steeds meer werken van de kunstenaar te ontdekken was overweldigend. De vele werken die in het appartement aanwezig waren hadden dezelfde kracht en energie als het schilderij dat in België werd gerestaureerd. 
De pigmenten, zorgvuldig bijgehouden door Doris werden, in samenwerking met restaurator Luca Bonetti, verzameld en ingepakt voor verder onderzoek in België. Deze unieke ervaring was zeker en vast een grote meerwaarde aan het onderzoek.

De retoucheertesten die stilaan ontwikkeld werden in België, werden kunstmatig verouderd en gecontroleerd op weerbaarheid, kleurechtheid en fluorescentie. Dit alles werd in kaart gebracht samen met het wetenschappelijk instituut ‘Koninklijk Instituut voor Kunstpatrimonium’ (KIK/IRPA Brussel). Hierdoor werd het mogelijk de hoeveelheid aan opties voor het retoucheren en behandelen van beschadigde fluorescerende verflagen te verminderen naar drie potentiële verfcombinaties.

D-DAY: The AIC Annual Meeting

De bijeenkomst, waar meer dan 1000 deelnemers uit verschillende delen van de wereld samenkomen, richtte zich dat jaar vooral op materiaalonderzoek en de opkomst van innovatieve behandelingen/technieken en nieuwe manieren van “kijken”. Ideaal voor dit fluorescerend pigmentonderzoek te lanceren binnen de conservatiewereld om verder kennis op te doen en te delen.

Aan de hand van voorbeelden en testresultaten van het KIK-IRPA werd tijdens de lezing besproken welke aanpak vernieuwend en doeltreffend kan zijn voor het bewaren van fluorescherende verflagen. Zo werden verschillende verouderingstesten uitgelegd en besproken we welke bindmiddelen en pigmenten doeltreffend resultaat hadden. Het werd al snel duidelijk dat het dezelfde problematiek bij vele kunstcollecties aanwezig was. 

Naast de vele lezingen werden er ook tal van rondleidingen, walking tours en workshops georganiseerd. De Houston Downtown walking tour, een gegidste tour van de meest prominente gebouwen en architectuur van Houston en een rondleiding in het nieuwe restauratieatelier en depotruimte van de Texas A&M Library gaven een blik achter de schermen van wat vooreerst een statische stad leek. Tot onze verbazing was er niet alleen een fantastisch aanbod aan kunst te ontdekken, maar ontmoetten we vele boeiende onderzoekers in het warme Texas.

In de tentoonstellingshal van de AIC conferentie is het de moment om te netwerken en ideeën en resultaten te delen. Nieuwe innovatieve materialen stonden uitgestald, zoals deze van KremerPigments, waar we de ‘Kremer Watercolor Set Fluorescent Colors’ hebben kunnen testen, die mogelijk van toepassing zijn voor ons verder onderzoek. Ook Golden Colours had een overlap met ons onderzoeksgebied in Daylight Fluorescent Paint. Het delen van elkaars kennis hielp ons onze visie en mogelijkheden te verbreden om in de toekomst hooggevoelige fluorescerende verf te herstellen en te behouden.

Meer weten over fluorescerende pigmenten? Lees hier meer over de restauratie en het onderzoek van het schilderij ‘Bampur’ van Frank Stella.

Voor meer informatie over het onderzoek en de restauratie van Split Infinity, Herb Aach neem gerust contact met ons op via info@privatearttours.be

‘Twee inspirerende jonge dames brengen met fierheid de culturele geschiedenis van hun stad tot leven.’

Een heel interessante rondleiding in de Carolus Borromeuskerk, waarbij we concreet ingewijd werden in de technieken van restauratie van de schilderwerken en zo inzicht kregen hoe de kerk weer in volle glorie kon hersteld worden na verwoestende schade door verschillende branden. Naomi en Giovanna gaven een aanschouwelijke uiteenzetting, instrumenten en materialen bij de hand, over restauratietechnieken. Twee inspirerende jonge dames brengen met fierheid de culturele geschiedenis van hun stad tot leven. Bedankt voor deze unieke ervaring!

Pascale Decoene

‘Een topevent dat enkel een dikke proficiat verdient.’

In naam van de logistieke directie van UZ Leuven willen we de Phoebusfoundation en meer bepaald mevr. Naomi Meulemans en haar collega bedanken voor de unieke, uiterst boeiende en leerrijke inwijding in de wereld van opslag en restauratie van kunst. Het verhaal verteld door experten in het vak , met toewijding en passie gebracht , was voor ons een prachtige teamdag waarvan we zeker inspirerende ideeen meenemen. De aansluitende wandeling door het beeldenpark van Singelberg met verklarende toelichting bij de kunstwerken en de culinaire omkadering was top. Een topevent dat enkel een dikke proficiat verdient.

Paul Timmermans
COO UZLeuven

Onderzoek en restauratie van ‘Zelfportret’, Permeke, 1928-1936, Oostende, MuZee

‘Zelfportret’, Constant Permeke | 1928-1936 | MuZee, Oostende

Hoewel ik in het jaar 1936 opkeek naar de expressionistische kunstenaars, kon ik toen al toch met eigen ogen constateren hoe vlug hun werk materieel te loor ging. Ik denk aan de vele barsten van te dik opgebrachte kraplak van Philibert Cockx, de bruinen van Permeke, enz..

René Smits in Tijdschrift Vlaanderen, 1983

Het schilderij dat werd gerestaureerd in het KIK-IRPA is een zelfportret van de schilder Constant Permeke, dat hij in 1928 heeft geschilderd. Acht jaar later hernam hij grote delen van het werk waarbij hij hele zones overschilderde. Hij werkte verder op de compositie en de vormen, hernam het gezicht, de schoenen en een groot deel van de achtergrond. De figuur met hoed staat achter een schildersezel, draagt klompen en in zijn rechterhand heeft hij een penseel en een palet vast. De toon van het werk is zeer donker, de kunstenaar heeft hier bijna uitsluitend bruine aardepigmenten gebruikt. Enkel het gezicht, de rechterhand en het palet hebben een fellere, rode kleur.

Een schilder moet met zijn voeten in de stront staan.

C. Permeke

Doorheen de jaren heeft het schilderij al enige restauratiebehandelingen ondergaan; waaronder een consolidatie en doublering waarbij was-hars werd gebruikt.  De belangrijkste problematiek van het werk was de afschilfering van de pasteuze verflaag. De verf is over het hele oppervlak sterk gecraqueleerd en vertoonde grote barsten, krimpscheuren en rimpeling. Daarenboven werd het geheel bedekt door heel wat vuil en een dikke laag stof.

Het werk kwam binnen in het Instituut omdat de verflaag gevaarlijke opstuwingen had. Er werd een vooronderzoek uitgevoerd naar het meest geschikte fixeermiddel die via kleine testen werden uitgeprobeerd. De verf werd gefixeerd en  oppervlaktevuil werd verwijderd. De lacunes werden terug ingevuld met een geschikte vulling en geretoucheerd.

Parallel aan de behandeling werden enkele analyses uitgevoerd om het probleem van de afschilfering te proberen achterhalen. Binnen het kader van het project werden 12 andere schilderijen van Permeke uit de collectie van het Mu.ZEE met eenzelfde problematiek aanvullend onderzocht.

Permeke schilderde spontaan en zeer vlug. De verf werd dik en zeer slordig opgebracht, mogelijk rechtstreeks uit de tubes ofwel met een paletmes, brede penselen of met zijn duimen en vingers. Hij voelde zich innig verbonden met de grond en daardoor gebruikte hij veel bruine en donkere kleuren.

Zo verwees hij naar het aardse, volkse en gewone leven van de eenvoudige mens, zoals de boer en de visser. Anderzijds was het ook zo dat aardepigmenten goedkoop en gemakkelijk verkrijgbaar waren.

Dat Permeke weinig afwist van schildertechnieken doet niets af van de grootheid van zijn kunstenaarschap.

René Smits in Tijdschrift Vlaanderen, 1983

Permeke was een expressieve schilder die zijn werkwijze en techniek op veel verschillende manieren aanpaste. Hij overschilderde en hernam veel van zijn werk. Dit heeft het logische gevolg dat zijn verflagen zijn opgebouwd uit vele diverse lagen, bij ‘Het Zelfportret’ tenminste dertien.

Tijdens zijn levensloop stond hij al bekend voor zijn eigenzinnige keuze voor materialen en technieken. Dit bracht toen al degradatieverschijnselen teweeg, waarvan hij mogelijk bewust was.

De werken van de schilder hebben in het algemeen een zeer donker uitzicht. Een belangrijk vraag hierbij is: Heeft Permeke zijn schilderijen opzettelijk verdonkerd of is dit het gevolg van natuurlijke veroudering of door de schildertechniek van schilder?

Het onderzoek gaf ons enkele markante schildertechnische aspecten als resultaat. Het laat ons toe de schildertechniek van Permeke beter te begrijpen en biedt  meer duidelijkheid over de laagopbouw, waardoor restauratiebehandelingen in de toekomst beter kunnen afgestemd worden op de noden van het werk.

Uit de tentoonstelling ‘Permeke in laagjes’, 25.04.2015 – 16.08.2015, Mu.Zee Oostende.
Zowel het onderzoek als de restauratie van het Zelfportret werden uitgevoerd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK-IRPA) in Brussel.

Vogel, Karel Appel (1921-2006) en de Mythe van het Maken

Een silhouet tegen een zwart blinkende achtergrond, in de vorm van een eenvoudige vogel. Levendige lijnen, maar schijnbaar doffe kleuren.

Karel Appel (1921-2006), een van de belangrijkste leden van de CoBrA-groep, vervaardigde dit werk in 1954, zoals de signatuur en datering onderaan links verraden: K.Appel’54. Appels Vogel, die deel uitmaakt van de omvangrijke CoBrA-collectie van The Phoebus Foundation, prikkelt de nieuwsgierigheid. Schilderde de Amsterdammer deze figuur echt even spontaan als een kind tekent op een blad papier — waar de CoBrA-beweging prat op ging — of is er meer aan de hand?

Een diepgaande studie van de verflagen van Appels compositie levert vernieuwende inzichten op over de werkwijze van deze experimentele kunstenaar en biedt belangrijke handvatten voor het conserveren en restaureren van zijn oeuvre. Vanwege het onconventionele materiaal-gebruik valt de fragiele Vogel immers niet te behandelen met traditionele restauratietechnieken.

Het doek illustreert treffend welke schat aan informatie het kunstwerk zelf prijsgeeft door een zorgvuldige analyse met het blote oog te combineren met geavanceerde opnametechnologieën.

Verflagen vertellen zoveel meer dan je op het eerste gezicht zou denken.

Uit de publicatie: Vogel, Karel Appel (1921-2006) en de Mythe van het Maken
Uitgeverij: Phoebus Focus XIV,
Auteur: Naomi Meulemans

ISBN 978 94 638 8334 4
D/2019/14.672/11